Dit is het tussenniveau: je vult de vorm nu zélf in, dus je moet het werkwoord echt kunnen maken. De aanpak blijft hetzelfde als bij de makkelijke versie — eerst de tijd, dan actief of passief — maar je krijgt minder hints. Bij de lastigere (passieve) zinnen staat er nog een tip; bij de rest doe je het op eigen kracht.
Voor een passieve zin heb je twee bouwstenen nodig: de juiste vorm van 'to be' (die hoort bij de tijd) én het voltooid deelwoord van het werkwoord. Ken je die drie vormen hieronder, dan kun je elke passieve zin zelf maken.
De drie passief-vormen
Alleen 'to be' verandert mee met de tijd; het deelwoord blijft gelijk.
- present simple: am/is/are + deelwoord → is built
- past simple: was/were + deelwoord → was built
- present continuous: am/is/are being + deelwoord → is being built
Eerst de tijd kiezen
Het signaalwoord bepaalt welke vorm van 'to be' je nodig hebt.
- every day, usually → is/are (cleaned)
- yesterday, last week → was/were (cleaned)
- now, Look! → is/are being (cleaned)
Enkelvoud of meervoud?
Kies de vorm van 'to be' die bij het onderwerp past.
- The car is washed. / The cars are washed.
- The car was washed. / The cars were washed.
Het voltooid deelwoord goed spellen
Regelmatig: + -ed. Onregelmatig: leer de derde rij.
- clean → cleaned, paint → painted
- break → broken, build → built, speak → spoken, catch → caught
Actief of passief?
Doet het onderwerp de handeling (actief) of ondergaat het die (passief)? 'by ...' wijst op passief.
- actief: They built the bridge in 1930.
- passief: The bridge was built in 1930.
Let op Let bij present continuous passief op het woordje 'being' (is being repaired) — dat is de meest gemaakte fout. En kies 'is/was' (enkelvoud) of 'are/were' (meervoud) bij het onderwerp.