to have (hebben) gebruik je voor bezit en als hulpwerkwoord (I have eaten).
Tegenwoordige tijd
have / has — alleen he/she/it krijgt has.
- I / you / we / they have
- he / she / it has
Verleden tijd
had — voor iedereen hetzelfde.
- I had
- they had
Let op She has (niet 'she have').