← Inhoudsopgave

Werkwoorden · uitleg

Het werkwoord 'to have'

  1. 1Uitleg
  2. 2Oefenen
  3. 3Toets

to have (hebben) gebruik je voor bezit en als hulpwerkwoord (I have eaten).

Tegenwoordige tijd

have / has — alleen he/she/it krijgt has.

  • I / you / we / they have
  • he / she / it has

Verleden tijd

had — voor iedereen hetzelfde.

  • I had
  • they had

Let op She has (niet 'she have').