De past perfect gebruik je voor een gebeurtenis die nóg eerder was dan een ander moment in het verleden. Je stapt als het ware vanuit het verleden nog een stap terug.
Denk aan twee gebeurtenissen in het verleden. De gebeurtenis die het éérst plaatsvond zet je in de past perfect (had + voltooid deelwoord); de latere gebeurtenis in de past simple. 'When we arrived (later), the train had already left (eerder).'
De vorm is voor elk onderwerp hetzelfde: had + voltooid deelwoord. Regelmatig is dat + -ed (worked), onregelmatig de derde rij (see–saw–seen → had seen).
Vorm: voor iedereen gelijk
had + voltooid deelwoord. Korte vorm: 'd.
- I had worked = I'd worked
- She had gone = she'd gone
- onregelmatig: had seen, had written, had left
Gebruik: de eerdere van twee verleden gebeurtenissen
Wat het eerst gebeurde → past perfect; wat daarna kwam → past simple.
- When I got home, my sister had cooked dinner.
- After he had finished, he went to bed.
- The train had left before we arrived.
Signaalwoorden
Deze woorden wijzen vaak op de past perfect.
- after, before, when, by the time
- by 2010, by then (tot dat punt in het verleden)
- already, just, never ... before
Ontkennend en vragend
had not / hadn't + voltooid deelwoord; in de vraag staat had vooraan.
- She hadn't finished her homework.
- Had you ever seen it before?
Ook in de indirecte rede
Vertel je iets na in de verleden tijd, dan worden present perfect en past simple vaak past perfect.
- "I have lost my keys." → He said he had lost his keys.
- She told me the shop had closed.
Let op Gebruik de past perfect alleen als je echt twee momenten in het verleden vergelijkt. Eén losse gebeurtenis in het verleden is gewoon past simple.